De Postauto in Zwitserland, een fenomeen!

Rob Strating: “Ik kom al 66 jaar in Zwitserland en heb de ontwikkeling sinds 1959 op de voet gevolgd”

De Postauto A.G. (Frans: CarPostal; Italiaans: AutoPostale; Reto-Romaans: AutoDaPosta) is een Zwitsers staatsbedrijf dat vervoer verzorgt voor passagiers, post en lichte vracht (vroeger ook melkbussen) via een fijnmazig lijnennet van busverbindingen. Het is een dochterbedrijf van het Zwitsers staatsbedrijf Die Post. Het bedrijf biedt werk aan meer dan 4200 vrouwelijke en mannelijke personeels-

leden en heeft rond 2400 bussen in dienst die over meer dan 1.000 trajecten rijden. Postauto oefent het vervoer uit in Zwitserland en in de grensoverschrijdende gebieden in Italië en in Liechtenstein.

Postauto’s

De gele postbussen van het bedrijf worden in Zwitserland Postauto’s genoemd. Die naam is uniek, want in andere landen worden ze postbus genoemd.

De naam Postauto stamt uit de tijd van de overgang van postkoets (Postkutsche). Het woord ‘bus’ wordt bijna niet gebruikt, want alles wat gemotoriseerd op wielen reed, werd ‘auto’ genoemd. Op de Gotthardpas rijdt ’s zomers nog zo’n oude postkoets met de oorspronkelijke kleuren geel, rood en zwart die we nog steeds terugvinden op de moderne Postauto’s. De eerste Postauto reed in 1906 van Bern naar Detligen, de laatste postkoets reed in 1961 tussen Juf en Cresta in het kanton Graubünden. In 2006 werd het 100-jarig bestaan van de Postauto gevierd.

 

Drietonige hoorn

De koetsier van de postkoets kreeg voorrang als hij op zijn posthoorn blies. Sinds 1924 werden de Postauto’s voorzien van een drietonige hoorn: ‘Cis-E-A’, dat zijn de eerste drie tonen uit het Adante van de Ouverture Wilhelm Tell uit de Opera van Giachino Rossini.

De Zwitsers noemen die klanken ‘Du-Da-Doo!’ De chauffeurs van de Postauto’s waarschuwen hiermee het overige verkeer dat op de vaak smalle bergwegen hun aanwijzingen moet volgen, ze hebben dus voorrang!

“Sinds 1924 werden de Postauto’s voorzien van een drietonige hoorn: ‘Cis-E-A’”

Altijd op tijd

De Postauto’s rijden altijd op tijd, zelfs in de winter! Om die punctualiteit te garanderen, wordt altijd begonnen met sneeuwruimen op de wegen waarlangs de Postauto rijdt. Vroeger waren de bussen met een sneeuwploeg uitgerust en op steile wegen in de winter stonden de voorwielen op ski’s en waren van achteren rupswielen gemonteerd.

 

De Schnauzes

Heel lang hebben de Postauto’s een torpedofront gehad, d.w.z. ze hadden een neus waarin de motor draaide. De Zwitserse Saurers, Berna’s en FBW’s kregen de naam Schnauze (neus) mee, vooral de Postauto’s vanaf de jaren ’30 tot vér in de jaren ’70 waren met zo’n kenmerkende neus uitgevoerd. Nog altijd worden er met zulke schitterende bussen ’s zomers ‘Oldtimerfahrten’ gemaakt. De afgelopen zomer hebben we ook zo’n rit mee gereden, heel nostalgisch en ontzettend leuk!

Als je goed kijkt, zie je dat ze allemaal met rechts stuur zijn uitgevoerd. Dat was namelijk gemakkelijk voor de chauffeur, want dan kon hij vlak langs de afgrond en heel dicht tegen de bergwand rijden. De pasroutes waren heel smal en er was nauwelijks een afscheiding gemonteerd. Om te voorkomen dat in scherpe en steile haarspeldbochten het achterste deel van de carrosserie over het wegdek zou schuren of zelfs klem zou komen te zitten,
liep de opbouw van de bus achter de achteras
altijd iets omhoog.

Bijna vanaf het begin in 1906 werden de Postauto’s ook uitgevoerd als cabrioletbus, Alpenwagen genaamd, waarbij het roldak over de gehele lengte kon worden geopend. Je had dan een prachtig zicht over de bergen. In de loop van de jaren ’50 is men daarmee gestopt, omdat bij slecht weer het roldak niet altijd waterdicht was en het was ook lastig om het interieur in de winter voldoende warm te krijgen. Daarom werd begin jaren ’50 een carrosserie ontwikkeld waarbij het vouwdak werd vervangen door grote ruiten die vanaf de zijkant doorliepen tot bijna het midden. De chauffeurs noemden ze vaak Glaswagen.

 

De huidige praktijk

Ik kom al 66 jaar in Zwitserland en heb de ontwikkeling van de Postauto sinds 1959 op de voet gevolgd. Sinds jaar en dag hebben de chauffeurs allemaal een lichtgeel overhemd aan met daarop natuurlijk het logo van de Postauto.

Mijn vrouw en ik maken heel vaak gebruik van de Postauto, omdat hij minstens twee keer per uur tussen allerlei dorpen rijdt. We ‘wandern’ graag in de bergen en kiezen er dan voor om terug de bus te nemen. Als we ergens in Zwitserland op een camping staan, krijgen we een ‘Gästekarte’, waarmee we kunnen rekenen op gratis vervoer met de trein en de bus. De Postauto’s zijn heerlijk schoon en zitten dan vaak ook helemaal vol, temeer daar de Zwitsers allemaal een ‘Halbtax Karte’ bezitten. Geregeld kan je ook je fiets meenemen in een speciale aanhangwagen of achterop de bus.

Wat doen wij in Nederland verkeerd?