Voormalig wielrenner Johnny Hoogerland, opgegroeid in Yerseke, en zijn vrouw Gerda hebben hun plek gevonden in het Oostenrijkse Velden am Wörthersee. Ze runnen daar met succes een pension. Natuurlijk wordt Johnny regelmatig herkend: “Het is leuk om te zien dat mensen na het fietsen vaak naar de bar komen en dan echt de verhalen willen horen.”
Het prachtige Velden am Wörthersee bevindt zich helemaal in het zuiden van de Alpen. Het plaatsje ligt in Oostenrijk, niet ver bij de grens met Slovenië en Italië vandaan. De Wörthersee, het grootste bergmeer van de Oostenrijkse deelstaat Karinthië, is bij veel Nederlanders nog onbekend, merken Johnny en Gerda Hoogerland. En dát terwijl de omgeving heel mooi is en er hier veel te doen is. In de buurt zijn skigebieden. Je kunt aan het meer vertoeven of een dagje naar Italië of Slovenië gaan. Het pension van Johnny en Gerda, dat 34 bedden telt, verdeeld over 13 kamers, is meestal aardig volgeboekt.
Vanzelfsprekend is het niet dat Velden am Wörthersee het nieuwe thuis werd van de familie Hoogerland. Zijn jeugd bracht Johnny grotendeels door in het Zeeuwse Yerseke. Met zijn vrouw Gerda verhuisde hij rond zijn 27e naar Kwadendamme, waar ze zo’n zeven jaar hebben gewoond. Hier zijn ook hun twee dochters, Saar (11) en Tess (10) geboren.
Veel mensen uit Yerseke zijn trots op hun eigen dorp. Die gaan daar niet zomaar weg.
Johnny: “Ik kom graag in Yerseke, maar Gerda komt uit Groningen. Als je als buitenstaander in Yerseke komt, is dat best moeilijk aarden. Daarom besloten we om naar Kwadendamme te verhuizen, naar het katholieke deel van Zeeland. Daar hebben we zeven jaar met veel plezier gewoond.”
Gerda: “We gingen best vaak even naar Yerseke, even een visje eten, even wandelen.”
Johnny: “Als ik eerlijk ben, vond ik het niet zo moeilijk om uit Yerseke te vertrekken. Ik heb alle windhoeken van de wereld gezien.”
Zeven jaar later kozen jullie voor Oostenrijk. Was het een bewuste keuze om een punt te zetten achter je wielercarrière, Johnny? Je had veel last van blessures, toch?
Johnny: “Ja, ik was hard gevallen. Ik kon niet meer terugkeren op het niveau van daarvoor. Het één heeft niet met het ander te maken. Maar toen ik voor mezelf besloten had dat ik zou stoppen met fietsen, kwam wel de vraag: wat gaan we dan doen? Gerda was vaak op de Weissensee wezen schaatsen, dus zodoende dachten we aan Oostenrijk.”
Gerda: “Omdat we kinderen hebben, was het voor ons belangrijk dat we ergens naartoe gingen waar de gezondheidszorg en het onderwijs goed zijn en waar de taal niet moeilijk te leren is. We wilden ook in een plek wonen waar alles is, zodat je niet het dorp uit hoeft om boodschappen te doen of naar school te gaan. Toen kwamen we hier terecht. Er zijn hier ook veel mogelijkheden voor fietsgroepen. Veel plekken waar je hier kunt fietsen, zijn nog vrij onbekend.”
Hoe bevalt het in Oostenrijk?
Johnny: “Die vraag stellen we ons niet meer. Na acht jaar zijn we hier geaard. Dit is ons thuis geworden.”
Je hebt ook mensen die zich na een emigratie tóch altijd een beetje een buitenstaander blijven voelen. Herkennen jullie dat niet?
Johnny: “Eigenlijk niet. Het gaat er ook om in hoeverre je wilt integreren. Toen we hier drie weken woonden, belde een Nederlandse vereniging in Oostenrijk of we lid wilden worden. Ze zouden dat een eer vinden. Ik zei: Allemaal leuk en aardig, maar ik heb weinig behoefte om met een groepje Nederlanders elke twee weken appelgebak te eten. Dan had ik in Nederland moeten blijven.”
“Met kerst zijn we altijd in Nederland”
Gaan jullie vaak terug naar Nederland?
Johnny: “Wel een paar keer per jaar, maar eigenlijk steeds minder. Met kerst zijn we altijd in Nederland. Onze dochter is ook op eerste kerstdag jarig. Vorig jaar waren we met kerst in Nederland, en toen zijn we na een week weggevlucht vanwege de regen en omdat het koud en kil was. In Oostenrijk was het op dat moment juist extreem mooi, met sneeuw en een blauwe lucht.”
Bemerken jullie cultuurverschillen met Nederland?
Johnny: “In Nederland is het niet normaal als je ‘s morgens om twaalf uur in een café een potje bier gaat drinken. Hier wel. Verder kun je hier, anders dan in Nederland, soms alleen maar contant betalen. Bijvoorbeeld bij de ijsboer in de zomer.”
Gerda: “Mensen nemen hier uitgebreid middagpauze en genieten daar ook van. Ik zie dat ook bij vriendjes en vriendinnetjes van onze kinderen. De vader komt dan van het werk naar huis. Ze zijn echt een tijdje samen.”
Johnny: “De school begint wel al om half acht. Tess zit nog op de basisschool, maar ze is nooit later dan één uur thuis.”
Toen jullie verhuisden, zaten de kinderen nog niet op school, zeker?
Gerda: “Zij waren toen twee en vier jaar oud. Hier gaan kinderen pas op hun zevende naar de basisschool. Saar ging, toen we hier kwamen, vijf ochtenden naar de ‘kindergarten’. Met veel vrienden van daar is ze naar de basisschool gegaan. Tess was twee en heeft minder van de verhuizing meegekregen.
Johnny: “We dachten: Als we willen verhuizen, moeten we het nu doen. We wilden dat de meiden zonder stress de taal zouden leren. Bij hen ging het razendsnel. In drie maanden tijd praatten ze allebei heel goed Duits.”

Hoe zien jullie dagen er zoal uit?
Johnny: “In de zomer staan we om half zes op. Dan gaat Gerda de gangen dweilen. Ik maak het terras in orde en kijk het zwembad na. Om half zeven ga ik naar de bakker en maakt Gerda het ontbijt.
Het ontbijt is er van acht tot tien uur.” Gerda: “Terwijl de gasten ontbijten, worden de kamers schoongemaakt. We hebben een poetsvrouw die de kamers helpt schoon te houden. Van twaalf uur tot uiterlijk drie uur hebben we tijd voor onszelf, om boodschappen te doen en met de meiden te zwemmen. Maar we zijn altijd hier. We hebben ook een bar, waar mensen naartoe komen.” Johnny: “Vaak zijn we tot ongeveer tien uur ’s avonds bezig.”
Jullie zijn veel samen.
Gerda: “Wij zijn zeven dagen, 24 uur per dag samen. Ik heb echt geleerd om het te scheiden: Nu zijn we zakelijk partners, nu zijn we papa en mama en nu zijn we man en vrouw.”
Was het moeilijk om het pension op te starten?
Gerda: “We kwamen niet uit de hotelbranche. Dus we moesten alles zelf uitvinden. Maar het is ook weer geen hogere wiskunde natuurlijk. Na een maand weet je hoe het moet. Het belangrijkste is dat de gasten tevreden zijn.”
Kun je hier in de winter skiën?
Johnny: “Ja, maar we wonen niet aan de voet van een skigebied. Met de auto is het een kwartier rijden naar het dichtstbijzijnde skigebied.”
Komen hier ook wintersporters?
Johnny: “Dat had gekund, maar in de winter zijn we dicht. We zijn van maart tot en met oktober open.”
Gerda: “Dat is een bewuste keuze. In het seizoen zijn we non-stop bezig. In de winter hebben we tijd om bij te komen en om onderhoud te doen. Dan hebben we ook meer tijd voor de kinderen.”
Jullie begeleiden regelmatig fietsgroepen.
Gerda: “Ja, er komen hier allerlei groepen: fietsvrienden, collega’s van een bepaald bedrijf, scholen.” Johnny: “We zitten aan de Wörthersee omdat we niet alleen afhankelijk willen zijn van fietsers. Het is ook prachtig om hier vakantie te vieren. Veel fietsers die hier komen, zeggen: Wow, dat hadden we niet verwacht. In de zomer is het hier meestal mooi weer, vaak zelfs tussen de 30 en 35 graden. Het is leuk om in de bergen te wandelen en langs berghutten te trekken. Wij zitten ook helemaal niet afgelegen. In ons pension bieden we alleen maar ontbijt aan, omdat er hier op loopafstand veel restaurants zijn. Twee grote steden, Villach (ruim 65.000 inwoners) en Klagenfurt (ruim 100.000 inwoners), zijn met de auto bereikbaar in zo’n twintig minuten.”
Ontvangen jullie veel fietsgroepen?
Johnny: “Ja, eigenlijk elke maand wel, vanaf april.”
Je bekendheid werkt wel mee, lijkt me.
Gerda: “Ja, het is leuk om te zien dat na het fietsen veel mensen naar de bar komen en dan echt de verhalen willen horen. Ze hebben iets gehoord en willen het fijne weten. Dan komen de mooie verhalen. Daar komen ze natuurlijk ook wel een beetje voor.” Johnny: “Mensen komen ook naar ons omdat ze mij kennen van vroeger. Dat werkt ook wel in ons voordeel, natuurlijk.”
Beginnen mensen vaak over het ‘prikkeldraadincident’: je val tijdens de Tour de France in 2011?
Johnny: “Ja, dat hoort bij mijn leven. Vind ik ook niet erg, hoor.”

Het heeft ook iets positiefs. Je maakte de Tour wél af, ondanks de wonden die je opliep. Het laat zien dat je een doorzetter bent.
Johnny: “Klopt. Het is ook Zeeuws, hè? Ik worstel en kom boven.”
Heb je je kinderen kunnen enthousiasmeren voor het fietsen?
Johnny: “Gelukkig fietsen ze allebei niet competitief. Onze dochters zijn heel sportief en dat willen wij ook. Onze oudste gaat naar sportgymnasium. Daar heeft ze zelf voor gekozen. Voor een meisje van elf sport ze extreem veel, zodat wij denken: het mag ook wel wat minder. Maar ze heeft nul interesse voor het fietsen, gelukkig.”
Gerda: “Op school was er een projectje waarbij ze een fietsband moest omwisselen. Iedereen kon dat, behalve ons kind. De leraar had gezegd: Hoe is dat mogelijk, als je vader zoveel met fietsen doet? Haar antwoord was: Dat interesseert mij niet.”
Waarom zou je niet willen dat je dochters met het fietsen in je voetspoor treden?
Johnny: “Het wordt steeds gevaarlijker op de weg. Ik zeg niet dat alleen auto’s hiervan de boosdoener zijn. Sommige fietsgroepen gedragen zich ook asociaal op de weg. Het is gewoon gevaarlijk. Mijn dochter doet heel fanatiek aan handbal. Als ze wel wil fietsen, zal ik haar stimuleren. We fietsen ook regelmatig. Maar dat zij geen wedstrijden wil fietsen, vind ik eigenlijk best fijn.”
En de jongste dochter, is die ook sportief?
Johnny: “Dat is een echt paardenmeisje. Zij wil liefst elke dag paardrijden.”
Jullie avontuur in Oostenrijk is ieder geval geslaagd, zo te horen. Veel mensen lukt het niet om iets nieuws op te bouwen in het buitenland.
Johnny: “We zien mensen die naar hier komen en het romantiseren. Als je emigreren ziet als een soort vlucht, wordt het niets. Wij zijn niet uit Nederland gevlucht. Ik ben wel trots op wat we hebben opgebouwd. Twee jaar geleden werd ik veertig en toen heeft Gerda al onze vrienden van hier uitgenodigd. Ons huis was vol met mensen die we hier hebben ontmoet. Veel vrienden zeiden ook: Wow, het is knap hoe jullie binnen zo’n korte tijd zoveel leuke sociale contacten hebben opgebouwd. We zijn gelukkig, denk ik. Onze meiden ook. En als je kinderen het goed hebben, heb je het zelf ook al gauw goed.”
“Als je emigreren ziet als een soort vlucht, wordt het niets. Wij zijn niet uit Nederland gevlucht.”
